Dinsdagavond 21 april maakte de minister-president in een persconferentie bekend hoe de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus er na 28 april uitzien. Er werd onder andere perspectief geboden aan de jeugd op het gebied van onderwijs en er mag weer buiten in groepsverband gesport worden. Het Veiligheidsberaad is blij met deze stappen.

Voorzitter Veiligheidsberaad, Hubert Bruls: “Het Veiligheidsberaad is tevreden met de aangepaste maatregelen van het kabinet. Deze maatregelen bieden perspectief. De jeugd weet dat het voortgezet onderwijs waarschijnlijk in juni weer open kan. Het Veiligheidsberaad vroeg aandacht voor een perspectief omdat de veiligheidsregio’s merken dat de Nederlandse samenleving daar behoefte aan heeft.

Dat de stappen die na de 28e gezet worden, bescheiden zijn, snappen de veiligheidsregio’s heel goed. Het kabinet straalt hiermee uit dat we er nog niet zijn en zo is het ook: zolang er nog mensen slachtoffer worden van het coronavirus, moeten we bepaalde maatregelen vasthouden. De gezondheidseffecten staan voorop. Tegelijk maken veiligheidsregio’s zich zorgen over de sociaal-maatschappelijke effecten: hoe houden we dit nog maandenlang vol?

Voorlopig blijven we dus nog zoveel mogelijk thuis, werken ook zoveel mogelijk thuis en als we eruit gaan voor een boodschap of wandeling, houden we die 1,5 meter afstand. De afgelopen periode volgden de meeste mensen die maatregelen al heel goed op.”

Gemeenten: werk aan de winkel
“Met de beweging van het kabinet dat kinderen van 13 t/m 18 jaar weer buiten kunnen sporten, mét die 1,5 meter afstand, zijn we blij. Hier vroegen we ook aandacht voor, omdat we in de veiligheidsregio’s merken dat de spanning onder de jeugd toeneemt door het ontbreken van structuur. Zij hebben geen school, zijn lang thuis, hebben geen sport en missen hun sociale contacten. Deze beweging doet de jeugd hopelijk goed. En het mooie is: het aanbod is straks voor alle kinderen geldig, niet alleen voor leden van sportverenigingen.

Gemeenten kunnen dit nu gaan organiseren. Zij organiseren dit samen met o.a. sportverenigingen en -coaches en zetten hierbij hun eigen ervaring en lokale kennis en inzicht in. Gemeenten hebben tenslotte zelf het beste inzicht in die mogelijkheden, dus het is een goede manier om dit zo op te pakken. Maar er is wel werk aan de winkel!”

Gerelateerde berichten