“Bij presterend vermogen gaat het om publieke prestaties, lerend vermogen en kwalitatief bespreken: hoe doet jouw regio het?”

 

In 2018 stelde het Veiligheidsberaad de Strategische Agenda Veiligheidsberaad vast. Voorzitter Veiligheidsberaad Hubert Bruls nam het (deel)thema ‘Presterend vermogen’ onder zijn hoede. Een thema dat volgens hem nog volop in ontwikkeling is.

 

Presterend vermogen

“Ik heb dit deelthema van de Strategische Agenda opgepakt met een schuin oog op de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s,” vertelt Hubert Bruls, voorzitter Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en voorzitter van het Veiligheidsberaad. “We staan nog aan het begin met dit thema: we hebben een concept voor presterend vermogen besproken in het Veiligheidsberaad en we moeten het nog verder ontwikkelen. Want wat is het nu eigenlijk? Per bestuurder is de beleving bij presterend vermogen anders. Het gaat bij dit thema in ieder geval om publieke prestaties, het lerend vermogen en om kwalitatief te kunnen bespreken: hoe doet jouw veiligheidsregio het eigenlijk?”

 

 

Geen sturende rol bij wetsevaluatie

Moge duidelijk zijn: bij presterend vermogen gaat het niet alleen om kwantitatieve doelstellingen, maar zeker ook kwalitatieve. Wat best een zoektocht is, volgens de voorzitter: “Prestaties kwalitatief benaderen, is lastig.” Hierbij speelt de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s ook een rol, zoals hij aangeeft: “Met de uitkomsten van de wetsevaluatie weten de veiligheidsregio’s waar ze de komende vier à vijf jaar op beoordeeld worden.”

Voor de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s – een opdracht van de minister van Justitie en Veiligheid – wordt een evaluatieopdracht geformuleerd en een onafhankelijke commissie ingericht. Daarnaast komt er een begeleidingscommissie met verschillende betrokkenen. Bruls ziet voor het Veiligheidsberaad een rol weggelegd in die laatste commissie: “Het Veiligheidsberaad wil geen sturende rol want de regio’s zijn onderdeel van de wet. Er wordt geëvalueerd wat de veiligheidsregio’s hebben gebracht vanuit de wet. Bijvoorbeeld op de opkomsttijden. Wettelijke eisen kunnen nuttig zijn, maar zeggen opkomsttijden iets over het optreden van de overheid? Nee. Want op het platteland zijn de risico’s voor brandveiligheid anders dan in de randstad en opkomsttijden zeggen niks over het brandweeroptreden zelf en over de preventie.”

 

Prestaties basis voor landelijke ontwikkelagenda

Net als de voorzitters van de veiligheidsregio’s zelf, heeft ook de minister van Justitie en Veiligheid – als stelselverantwoordelijke – behoefte aan inzicht in presterend vermogen. Welke rol ziet Bruls voor het ministerie weggelegd bij dit thema? “Het begint met inzicht in wat het ministerie wil. Ik kan me voorstellen dat het ministerie – op basis van de prestaties van de regio’s – een ontwikkelagenda opstelt. Vanuit het Veiligheidsberaad willen we vooral van prestaties leren en er niet alleen op afgerekend worden. Want verantwoorden doen we als regio’s richting de gemeenten en gemeenteraden. Maar op landelijk niveau kan ik me voorstellen dat er een ontwikkelagenda ontstaat. Ik geloof daarbij in audits en visitaties. Dat vind ik een krachtig middel: aan de hand van literatuur en interviews de vinger op de zere plek leggen en hier een visie op ontwikkelen.”

 

Meer ontwikkelvermogen – landelijk en regionaal – mooi eindresultaat

“Hoe presterend vermogen er exact uit gaat zien, is nog deels een zoektocht: we staan aan het begin en hebben nog geen concreet beeld van de uiteindelijke opbrengst van dit thema. Hoewel meer ontwikkelvermogen voor de veiligheidsregio’s – zowel afzonderlijk als gezamenlijk – een mooi eindresultaat is. Ik ben benieuwd hoe het Veiligheidsberaad dit ziet. Want het vraagt een andere manier van denken. Namelijk het benoemen van de sterke en minder sterke punten en die laatste dan doorontwikkelen. Hierbij kunnen we dan samenwerken met de minister van Justitie en Veiligheid, als systeemverantwoordelijke.”

Dit is een interview uit Magazine Veiligheidsberaad, editie december 2018.

Gerelateerde berichten